De Gouwe, het vervolg.

Tijdens de aanleg van de Rodervaart vanaf april 1891 tot einde 1892 werd de Gouwe niet alleen met een duiker onder de vaart doorgeleid, maar er kwam ook een aftakking van zo’n 700 meter langs de vaart langs gelegd. Dit had waarschijnlijk tot doel het water uit de natte polder af te voeren om het land bruikbaar te maken voor het houden van vee. Dit gedeelte wordt ook wel de Gouw genoemd.

1. De aftakking richting het zuid-westen. Het water is nog goed te zien in de winter. In de zomer is dit gedeelte vaak bedekt met een dikke laag kroos.

2. De zwarte els voelt zich in de omgeving van Roden erg thuis. Overal kom je ze tegen. Naast de wilg en de zwarte els zie je hier ook veel berken in de vreemdste vormen.

3. Vanaf de weg is de Gouw verstopt achter de zwarte elzen en een dikke laag riet.

4. Oude sporen van zandwinning?

Het zal mij in ieder geval niets verbazen dat men hier naar zand gezocht heeft. In dit gebied komt naast veengrond ook veel zandgronden voor. Richting Leutingewolde zit veel potklei.

Ook zandwinning was in de omgeving van Roden een veel voorkomende bezigheid aan het einde van de negentiende eeuw. Menig arbeider heeft hier zijn geld verdiend met het mennen van zand. Daarover later meer.

5. De Gouw bij het bruggetje waar vroeger de kluizenaar Albert Munting woonde en achter bij de koeien sliep.

6. De vertakking richting het oosten gezien vanaf de weg.

7. En vanaf het bruggetje over de Gouw.

8.Een blik richting de schuren.

9. Je zou je haast honderden jaren terug wanen in de tijd als je ziet hoe heerlijk alles nu verwilderd is.

Ook hier wemelt het van resten die eens tot een zwanenmossel behoort hebben. Gezien de grootte en de hoeveelheid schelpen is dit water ideaal voor deze schelpdieren.

Het werk van de graskarpers is duidelijk te zien. De afgegraasde oevers zijn goed te zien bij een lage waterstand.

10. Eenzaam staat een vlierstruik langs de scheiding.

De gewone vlier (Sambucus nigra) is een plant uit de muskuskruidfamilie (Adoxaceae). De bloei is van mei tot juli. De bestuiving vindt plaats door insecten. De vruchten zijn in september en oktober rijp. De plant vermeerdert zich door zaad, dat met name door spreeuwen, die dol op de bessen zijn, wordt verspreid. Botanisch gezien zijn de bessen steenvruchten.

De gewone vlier wordt door het edelhert gegeten omdat zij de plantendelen van de gewone vlier kunnen verteren. Voor veel andere dieren is de gewone vlier giftig vanwege cyaanverbindingen in het blad. In vlierstruiken is vaak het zwammetje judasoor te vinden.
De vlier stelt geen hoge eisen aan zijn standplaats en wordt zelfs in dakgoten gevonden.

Het hout van de gewone vlier is zacht, maar splintert niet. Daarom kunnen er kleine gebruiksvoorwerpen van worden gemaakt.

Het merg van de twijgen wordt toegepast om kleine voorwerpen te beschermen. Van de vruchten wordt jam, vruchtensap en vlierbessenjenever gemaakt. De bloesem wordt wel in pannenkoeken gebruikt. De Noord-Amerikaanse Indianen frituren de bloesem nog wel. Bovendien kan men van de bloesem siroop maken. Deze wordt voornamelijk geproduceerd in Engeland en staat wel bekend als Elderflower Cordial. In Zweden staat het bekend als Fläderblomssaft. De gedroogde bloesem kan het hele jaar door gebruikt worden om thee van te zetten.

In de Middeleeuwen had de vlier de reputatie dat hij beschermde tegen hekserij (zie afweerkruid), de vlier is gewijd aan Vrouw Holle. Vroeger eindigde de afvoer van de gootsteen boven de grond net buiten de muur. De vlierstruik werd hiervoor geplant en onttrok dit gat aan het zicht.

11. en 12. Soms zijn woorden niet het juiste om iets zo moois uit te kunnen drukken.

© Copyright MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

De Gouwe

De Gouwe.
De Gouwe is een stroompje dat vanuit het noord-westen boven Sandebuur zuid-westelijk door de omgeving loopt en in het Leekstermeer uitmondt. Zoals alle stroompjes en beekjes in het gebied om Roden, is ook de Gouwe slachtoffer geworden van het rechttrekken en kanaliseren door onze voorouders.

De kaart boven geeft aan hoe de Gouwe eruit zag voor de herinrichting van de polder. Inmiddels is het gebied veranderd ter wille van waterbergingsproject De Onlanden en loopt noordelijk van de Gouwe een dijk.

Het project heeft een groot effect voor de natuur in de omgeving van Roden. Ook hier zal het gebied weer eruit gaan zien als voor honderden jaren geleden. En toch blijf ik enigszins wel met weemoed terugdenken aan de tijd dat ik hier met mijn grootvader door de polder heen liep en van zijn verhalen over ‘vroeger’ genoot. En toch juich ik dit project toe. Niet alleen vanwege het bergen van het vele water, maar ook omdat de oorspronkelijke flora en fauna de kans krijgt zich hier weer te vestigen.
Inmiddels heeft een hoge dijk de ruime blik over het grasland ontnomen en heeft het gras plaats gemaakt voor de plant die hier in de volksmond rusge- of ruskepol genoemd wordt. Ook is het land drassiger geworden.

De pitrus (Juncus effusus), de rusge- of ruskepol dus, is een wilde vaste plant uit de russenfamilie. De pitrus wordt ook als waterplant in de siertuin gebruikt. De plant groeit op vochtige plekken, zoals langs de waterkant, in het weiland en in moerassen.

Via het parenchym kan de plant zuurstof naar de wortels transporteren, waardoor deze ook in zuurstofloze gronden nog kan groeien. De glanzende groene stengels zijn ongeveer 3 mm dik en kunnen een hoogte bereiken van 1,5 m, maar zijn meestal tussen de 20 en 100 cm lang.

De groene stengel is het belangrijkste deel van de plant voor de fotosynthese. Het sponsachtige merg in de stengel is samenhangend en ononderbroken. Na het drogen vertonen de stengels fijne streepjes. De plant heeft een korte, sterk vertakte wortelstok. De pitrus heeft roodbruine, schedeachtige bladeren aan de stengelvoet. Het eindelingse blad is stengelachtig.

De bloeiperiode loopt van juni tot augustus. De bloemen zijn bruin en vormen met elkaar een losse bloeiwijze, maar is niet zelden ineengedrongen. Aan de voet van de bloem zitten twee vliezige steelblaadjes. De rest van de stijl zit aan de top van de vrucht en niet op een verhoging zoals bij biezenknoppen (Juncus conglomeratus). De bloem heeft meestal drie meeldraden.

De plant vormt een doosvrucht, die veel zaadjes bevat en aan de top vaak iets ingedeukt is. De zaden hebben geen aanhangsel (mierenbroodje), maar zijn wel kleverig door de aanwezige borstelhaartjes, waarmee ze aan vogels blijven kleven.

De ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani) is een vaste plant, die behoort tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae).

De plant wordt 0,5-2,8 m hoog en heeft een zachte, taaie wortelstok, die in het jonge stadium wit is en later naar geel tot geelbruin verkleurt. De rolronde, gevulde stengel is blauwgroen of grijsgroen en aan de voet meestal knotsvormig verdikt.

Voor en tijdens de bloei heeft de plant geen of slechts één blad met bladschijf. Bij het verweren van de bladscheden komen er niet of nauwelijks vezels vrij.

De ruwe bies bloeit van juni tot de herfst met eivormige tot langwerpige aren. De roodbruine kafjes hebben talrijke rode wratjes, waardoor ze ruw aanvoelen en waaraan de plant haar naam te danken heeft. De kafjes staan in een spiraal. De bloeiwijze is schijnbaar zijdelings door het stengelachtige schutblad.

De vrucht is een 2-2,5 mm lang, lensvormig nootje en kleeft door de borstelharen aan vogels vast.

De plant komt vooral in brak water aan oever, duinplassen en in rietlanden voor.

Een brakwater minnend plantje in Noord-Drenthe? Ik vind het wel verklaarbaar. Een andere naam voor het Leekstermeer was vroeger het Zulthermeer. De naam Zulthe wordt wel verklaard als: zout meer, omdat het tot de 16e eeuw in open verbinding stond het de zee. Ook mijn grootvader vertelde dit aan mij. Wikipedia ziet het anders: ,,De afstand is echter te groot dat dit van invloed kan zijn geweest. Temeer omdat er tussen het meer en de zee in het verleden nog enkele zogenaamde zijlen (spuisluizen) zijn geweest, te weten het Niezijl en het Aduarderzijl.”

Echter, tot aan Lieveren aan toe schijnen er sporen van zout of zoutwater te zijn. Dit werd mij medegedeeld door mensen van Staatsbosbeheer die ook mijn vermoeden bevestigden dat het Leekstermeer vroeger in verbinding stond met de toenmalige Lauwerszee, het huidige Lauwersmeer.

De oorsprong en geschiedenis van het gebied.

Op het kaartje uit 1864 begint de Gouwe nog noordelijk van Sandebuur. Inmiddels is het begin een stuk noord-westelijker gelegen. Ook de molen die westelijk van Sandebuur stond is verdwenen. Het was een poldermolen.

Een poldermolen (ook wel watermolen genoemd, maar die naam geeft verwarring) is een windmolen die water van een lager niveau naar een hoger niveau verzet. Bij een poldermolen is het aangedreven werk (de vijzel of het scheprad) vast opgesteld. Bij een houten achtkante poldermolen is de kap draaibaar.

Een achtkante bovenkruier is een molen waarvan de romp acht kanten heeft. Ook is het een type molen waarvan men alleen de kap kan kruien. De romp van de molen is geheel of gedeeltelijk van steen. Indien gedeeltelijk van steen dan staat er een houten achtkant op de stenen. De meeste achtkantige molen hebben een houten achtkant. Deze houten achtkant is gewoonlijk bedekt met riet, maar kan ook bedekt zijn met hout met daarover dakleer of met koperen platen.

Een grondzeiler is een windmolen die vanaf de grond kan worden bediend. Door de gedrongen bouw scheren de draaiende wieken over het erf rondom de molen. De molen wordt door de molenaar vanaf de grond opgezeild (zie onderste foto). Het materiaal van de molen kan verschillen, zowel achtkante houten molens als ronde stenen molens kunnen als grondzeiler zijn gebouwd.

Rondom een grondzeiler is eigenlijk altijd een afrastering nodig, want de draaiende wieken zijn een groot gevaar voor mensen en dieren. De aan- en afvoer van materiaal (bijvoorbeeld koren) is enigszins problematisch, een probleem dat niet geldt voor een poldermolen. De meeste poldermolens zijn grondzeilers – ze staan immers in vlak gebied met weinig bebouwing. Grondzeilers die als korenmolen zijn ingericht, vinden we voornamelijk in gebieden met veel wind of op een natuurlijke verhoging in het landschap. Een molen op een kunstmatige verhoging heet een beltmolen.

Nu nog is het gebied rond Sandebuur, Sambert zoals het ook wel in het Drents dialect genoemd wordt, erg drassig.

Het merendeel van de huizen van Sandebuur bevindt zich als bij een lintdorp aan een straat die zich over enkele honderden meters van west naar oost uitstrekt, maar aan beide zijden abrupt eindigt. 500 meter ten oosten van de buurtschap bevindt zich de merkwaardige begraafplaats van Roderwolde, dat op zijn beurt weer zo’n 500 meter ten zuiden van de begraafplaats ligt.
Roderwolde ontstond in de elfde eeuw als veenontginningsdorp. In de Middeleeuwen was het dorp een belangrijke roggeproducent.

In de 16e eeuw werd rond de plaats veel gejaagd, o.a. op wolven; pas in 1563 werden hieraan beperkingen opgelegd. In de omgeving ging in de periode 1650-1832 het areaal bouwland met ca. 40% achteruit. Later werd deze vorm van landbouw hier vrijwel onmogelijk. Thans is vrijwel alles grasland in één groot veeteeltgebied.

Hier stond ook de eerste parochiekerk, die rond 1080 gebouwd werd en een geschenk was van de bisschop van Utrecht, afgebroken omstreeks 1830. Om de afwatering in het gebied te bevorderen, werden haaks op de opstrekkende verkaveling de zgn. gouwen gegraven. Afwatering en landbouw leidden tot inklinking en verdwijnen van het veen, waardoor de waterstand steeg.

Bronnen vermelden: Sandbuir (1811-13 en 1840), Sandbuur (1847-1868), Sambert (1847) en Sandebuur (1851-1865). De plaatsnaam is samengesteld uit sand (= zand) en buur (= woning, buurt); de betekenis is derhalve: woonoord op zandgrond.

Sandebuur is gelegen op de bewoningsas van het middeleeuwse Roderwolde, lopend van het bos Het (Groot) Waal via het kerkhof in westelijke richting, voorts op een hoge pleistocene zandrug, de Harssens, die loopt van de Sandebuursedijk tot het Leekstermeer. De buurtschap wordt reeds vermeld in 1599. In 1832 bestond zij uit zeven boerderijen, alle van het Friese kop-romptype met een zgn. Friese schuur, beter geschikt voor veeteelt dan de dwars- en langsdeeltypen in de zanddorpen.

Eerst een logische voortzetting van Roderwolde kwam Sandebuur door verplaatsing van de bewoning rond kerk en kerkhof naar hogere zuidelijker delen vanwege wateroverlast geïsoleerd te liggen. Pas in 1932 kwam er een verharde weg naar het nieuwe dorp tot stand. Daarvóór was de buurt alleen via voetpaden langs grenssloten bereikbaar, ook vanaf het kerkhof.

Schimpnaam voor de inwoners: Hekkeburen (vanuit Roderwolde bezien).(bron)

De Gouwe, een stroompje of een ontwateringssloot?
Zelf heb ik het idee dat het tijdens het ontvenen en het bruikbaar maken van de gebieden voor landbouw ontstaan is. Misschien wel vanuit een bestaand stroompje. Iets wat zover ik weet niet gedocumenteerd is en de oorsprong zal dan ook altijd wel gissen blijven. Feit is echter wel dat de Gouwe een stempel heeft gezet op het gebied.

Het begin van de Gouwe. Hier zitten we nog op de zandrug wat goed te zien is aan het heldere water.

Ook voor de waterplanten is de Gouwe een waar paradijs. Ongestoord kunnen ze hier nog groeien en worden niet belaagd door graskarpers. Hier stroomt kwelwater uit de oever de sloot in.

Gemoedelijk kabbelt het water richting het westen. Een blik dat je veel ziet hier in de omgeving.

Tijdens de tocht naar het Leekstermeer komen meerdere sloten uit in de Gouwe. Langzaam aan begint het water te verkleuren. Van het heldere naar het geel/bruinige kleurige water wat herkenbaar is voor de venige gebieden.

Langzaam begint het slootje te meanderen. De westenwind heeft als het kroos wat er nog was, richting de duiker gestuwd. Door gebrek aan stroming aan de oppervlakte zijn hier veel sloten bedekt met een laag kroos.

Links is de dijk van het waterbergingsproject De Onlanden duidelijk te zien, rechts de natte landerijen.

De Gouwe wordt snel breder naarmate de Rodervaart dichterbij komt.

Ook hier zijn de lompe lelijke ijzeren hekken vervangen door exemplaren van hout. Hoe mooi en contrasterend is het houten hek met het gele gras en de donkere rusge- of ruskepollen.

Je zou je zo een paar honderd jaar terug in de tijd wanen bij dit uitzicht.

Een stuk kienhout dat waarschijnlijk tijdens het schoonmaken naar boven is gehaald. Volgens Staatsbosbeheer zijn in deze omgeving stukken kienhout gevonden die na koolstof-datering ruim 800 jaar oud bleken te zijn.

Kienhout, ook wel kienholt of kienstobben genoemd, is gefossiliseerd hout dat bewaard is gebleven in veenlagen.

Kienhout is een overblijfsel van bossen die tot in middeleeuwen het land bedekten. Stammen en stronken daarvan kwamen in het natte veen terecht en zakten steeds dieper daarin weg. Het hout is in de loop der eeuwen onder een vaak metersdikke zurige veenlaag komen te liggen waardoor het, van zuurstof afgesneden, goed werd geconserveerd. In hoogveen vindt men overblijfselen van eik, den, berk en els. In laagveen ontbreekt de den maar zijn ook wilg en es vaak aanwezig.

Bij de turfwinning vormde dit materiaal een vaak minder gewenst bijproduct. In de verveningsgebieden werd het echter wel veel als brandstof gebruikt, een voordeel in vroeger tijden was dat het bij verbranding veel licht gaf. Het hout, dat bij opdelven nat en zacht is, wordt na enige weken hard door droging aan de lucht. Ook als timmerhout kon kienhout dat onder gunstige condities bewaard was gebleven goed dienst doen.

Een klein meertje midden in het land.

Reeën zijn geen zeldzaamheid in de omgeving van Roden. Op veilge afstand zijn ze nogal eens te bewonderen. De kleine witte stipjes zijn hun ‘kontjes’.

De ree (Capreolus capreolus) is een klein, algemeen soort hert dat voornamelijk in Europa voorkomt.

De ree heeft een zandgele tot roodbruine zomervacht, ‘s winters is deze meer grijsbruin tot zwart van kleur. Volwassen dieren hebben geen vlekken. Duidelijk zichtbaar is de witte tot gelige rompvlek. Bij mannetjes is deze vlek ‘s zomers vrij onduidelijk. De neus is zwart, en de kin is wit. De staart is vrij klein (twee tot vier centimeter lang) en enkel zichtbaar tijdens het ontlasten. ‘s Winters steekt bij het vrouwtje een bosje witte haren tussen de achterpoten naar achteren, dat op een staart lijkt.

Het volwassen mannetje (reebok) heeft een eenvoudig gewei, bestaande uit maximaal drie punten. Het gewei is maximaal 25 centimeter lang. ‘s Winters groeit het gewei, en de basthuid wordt afgeschuurd tussen maart en juni. Tussen oktober en januari wordt het gewei afgeworpen. Een enkele keer komen ook vrouwtjes (reegeit) met een gewei voor. Een jonge reebok van een jaar met alleen nog twee knopjes wordt ook wel knopbok genoemd. Wanneer het gewei nog geen vertakkingen vertoont noemt men het een spitser; en hoort bij een leeftijd van rond de twee jaar. Een gaffel heeft één vertakking en de bijbehorende reebok is dan twee a drie jaar. Oudere reebokken hebben een zogenoemde zesender, met twee keer drie punten. Op latere leeftijd zouden ze weer een vertakkingsloos gewei kunnen krijgen.

De ree heeft een kop-romplengte van 95 tot 140 centimeter, een lichaamsgewicht van 16 tot 35 kilogram en een schofthoogte tussen de zestig en de negentig centimeter. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben gemiddeld een schofthoogte van 64 tot 67 centimeter, vrouwtjes van 63 tot 67 centimeter.

Het laatste stukje de Gouwe richting de de duiker.

Slachtoffers van de afgelopen winter. Vier grote graskarpers die bevroren in het ijs zaten. Na de dooi heeft de beheerder van de schapen die daar grazen ze als voer voor de vogels op het land gelegd. De lengtes variëren tussen de 75 en 85 centimeter.

Eind jaren zeventig zijn er in de Gouwe graskarpers uitgezet. De vissen doen het voortreffelijk in dit water. Alleen de laatste paar strenge winters heeft aardig wat slachtoffers gemaakt.

De graskarper (Ctenopharyngodon idella) is een exoot in de wateren van de Benelux. De graskarper is een echte herbivoor. Hij wordt uitgezet daar waar beplanting in en langs het water als een probleem gezien wordt. De soort gedijt vooral goed in visvijvers en kanalen alsmede in weelderig begroeide dode rivierarmen. In de meeste talen wordt de soort naar zijn herkomst, de Amoerstreek, genoemd.

De Graskarper is helemaal niet nauw verwant met de Karper, in weerwil van zijn inmiddels goed ingeburgerde naam. De Graskarper is een voedselspecialist, die uitsluitend van plantenkost leeft. Hij eet niet alleen algen en zachte waterplanten, maar ook harde plantendelen; met zijn mesvormige, gezaagde keeltanden kan hij die fijnkauwen, en het darmkanaal is aangepast om ze te verteren. Toch kunnen ze zulke zware kost maar gedeeltelijk verteren; daarom moet elke dag tot 120 procent van het lichaamsgewicht aan gras door de darm van het dier passeren.

Zijn oorspronkelijke areaal is ook daar niet meer precies vast te stellen, want hij wordt al ongeveer 1000 jaar voor consumptie in vijvers gekweekt en is dus ook overal heengebracht. Waarschijnlijk leefde hij van nature in de grote rivieren van Zuid-China; daar komt hij ook nu nog voor.

Van hun ‘weidegronden’ in de benedenlopen trekken ze in de paaitijd stroomopwaarts naar snelstromende rivierdelen met grindbodem. De afgezette eieren zwellen sterk op, gaan drijven en worden met de stroom meegevoerd; ze komen al na 1-2 dagen uit. De jongen leven eerst nog van dierlijk plankton, maar als ze 3cm lang zijn beginnen ze ook plantenkost te eten, en bij een lengte van 10 cm zijn ze volledig vegetarisch.
Gepaaid wordt bij temperaturen boven 20°C (bij voorkeur 22-29 °C). In de warme wateren van China groeit deze soort ook snel, en de dieren worden al na 3-4 jaar geslachtsrijp.

Omdat ze grove plantenkost aankunnen, heeft men in de jaren zestig in allerlei gebieden (ook in Europa) geprobeerd ze uit te zetten, soms voor de visproductie, vaak ook om wateren onkruidvrij te houden (zo ook bij ons). In Europa bleek de visproductie niet rendabel, wegens de trage groei bij de hier heersende temperaturen. Als onkruidbestrijder was de Graskarper wel een groot succes. Hij komt zonder problemen de winter door; echter, het water wordt in onze streken niet warm genoeg om natuurlijke voortplanting mogelijk te maken.

In de eerste, euforische jaren, toen men Graskarpers uitzette in alle mogelijke kunstmatige en natuurlijke wateren , zagen de viskwekers twee dingetjes over het hoofd.
*Eerstens neemt de voedselbehoefte van deze langlevende dieren toe met hun afmeting;
*tweedens zijn ze moeilijk weer uit het water te verwijderen, of men moest ze geheel droogleggen; ze eten immers alleen planten en nemen geen aas op een haak aan.

Er werd dus veel meer onkruid verdelgd dan iedereen lief was, en op veel plaatsen ontstonden onder waterwoestijnen, gespeend van iedere plantengroei.

Thans wordt het uitzetten van Graskarpers in natuurlijke wateren als grove kunstfout gezien; maar in gesloten vijvers waar de soort niet uit kan ontsnappen bewijst hij nog steeds goede diensten, mits de dichtheid laag wordt gehouden. Voor tuinvijvers worden de dieren veel te groot. Mensen met een grote vijver zullen zeker meer plezier beleven aan de inheemse, eveneens herbivore Ruisvoorn (Scardinius erythrophthalmus).

In de zuidelijke VS, waar de Graskarper zich wel spontaan kan voortplanten, werd hij een regelrechte plaag, met funeste gevolgen voor de inheemse flora en fauna. In de meeste staten aldaar is het uitzetten ervan nu verboden. Ook in Nederland is beperkende wetgeving van kracht. (bron)

Ofschoon graskarpers zich uitsluitend met algen en hogere planten voeden, maken hengelaars steeds vaker melding van vangsten met levend aas en kunstaas. Een zo’n krachtige vis met de hengel vangen kan een ware belevenis zijn, aangezien graskarpers soms wel meer dan 1 m lang worden en een gewicht van 20-30 kg kunnen behalen, en aan de hengel een hevig gevecht leveren.

Het overzicht vanaf de dijk. Rechts de Rodervaart. Zelfs hier is nog te zien hoe groot de graskarpers zijn.

De duiker onder de Rodervaart door.

Aan de overzijde van de Rodervaart gaat de Gouwe door als Bolmertse Gouwe, of de tocht. De polder de Bolmert waar de Gouwe zijn loop vervolgt is afgesloten voor publiek. Het is inmiddels ingericht als broedgebied voor vogels. Hier eindigt dan ook de reis langs de Gouwe.

© Copyright MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het Leekstermeergebied.

Het Leekstermeergebied.
Tijdens mijn voorbereiding op mijn volgend artikel kwam in de volgende folder van de KNNV tegen. Een club waar ik direct lid van geworden ben! Ik hoop dat het u ook kan bekoren!

Meldt u nu aan voor een proefabonnement van Natura en ontvang 3 nummers voor slechts 10 euro.

© Copyright MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

De Tip, de Broeklanden en de Hullig.

De Tip.

De Tip, zo wordt het gebied rond de monding van het Oostvoortschediep in het Lieverse diep ook wel genoemd. De Tip betekent in het Drents dialect een punt of hoek. Het gebied grenst aan de noord-west kant van de Broeklanden en zuid-west kant van Hullig.

Het esdorpenlandschap is het resultaat van het landbouwsysteem dat in Drenthe vanaf de Middeleeuwen tot eind negentiende eeuw de maat der dingen was. Het was een zelfvoorzienend systeem waarin ieder dorp zijn eigen voedsel produceerde.

Ieder onderdeel van het landschap had daarin zijn functie. Het voedsel kwam van de essen rond het dorp, waar ieder boerengezin zijn akkertje had. Om de arme zandgrond vruchtbaar te maken en the houden was veel mest nodig.

Daarvoor dienden de schapen. Hun mest werd opgevangen op een laag heideplaggen op de bodem van de schaapskooi waar de dieren ‘s nachts stonden.

Het mengsel van plaggen en mest werd over de es verspreid. Overdag graasden de schapen op de hei.

De groenlanden langs de beek voorzagen in het hooi waarmee men het vee ‘s winters voerde. Bosjes en houtwallen leverden hout als bouwmateriaal, als brandstof en voor gereedschap.

Dit patroon wordt gedeeltelijk hersteld door het gebied net ten noorden van het Oostvoortschediep, De Tip, weer met bos te beplanten. De dienst landelijk gebied zet zich voortreffelijk in met het terugbrengen van het gebied in de oude staat.

Aan de linkerkant een afbeelding die het idee geeft van hoe een esdorp in Drenthe zoals bijvoorbeeld Lieveren, er honderden geleden uit moet hebben gezien.

En nog heeft het gebied rondom Lieveren een idyllische uitstraling.

De vegetatie rondom dit gebied is erg gevarieerd. Van de gebruikelijke bomen- en struikensoorten, varens tot aan zeldzame zegge’s toe. Ook veel zeldzame insecten en vlinders kan je hier aantreffen.

De bruine vuurvlinder (Lycaena tityrus of Heodes tityrus) is een dagvlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.

Het mannetje is donker, de wijfjes daarentegen hebben geel-rode vleugels met sterk contrasterende zwarte vlekken. De vliegtijd is van april tot en met september. De rups overwintert. Waardplant is de zuring.

Een waardplant of gastheer is een plant waarop een vlinder haar eitjes afzet. Dit is meestal de plant waarvan de rups leeft, zodra die uit het ei is gekropen. Sommige vlinders zetten hun eitjes niet af op de waardplant, maar in de buurt, zodat de rups nog op zoek moet naar voedsel.

De vrij kleine vlinder komt in graslanden, heiden en venen voor in heel Centraal- en Zuid-Europa. De bruine vuurvlinder vliegt van zeeniveau tot 2500 meter in berggebied. De vlinder komt voor op de Veluwe en in Drenthe.

In Nederland staat de bruine vuurvlinder op de rode lijst vermeld als zeldzaam.

De Broeklanden.
Het uitzicht over de Broeklanden. Een stuk moerassig of drassig land, waar bosschages en struikgewas groeiden (wat vroeger in de beekdalen heel gewoon was- soms zag je het vee amper) heet nog steeds -broek of broekland. In samenstellingen tref je het aan als Broekstukken, Broekdijk, Broeklanden of het broek. Waar de naam -hem of -ham opduikt, vindt u een stuk made of broekland in een bocht of bij een hoek liggen. Bijvoorbeeld bij een beekkronkel of een bocht in een weg (die vaak dijk heet in zo’n laag land). Het komt voor in namen als Hemstukken, Hemmen, Hemweg en Hambroeken, Hambroeksdijk en Hamweg).

Een ontzettend kwetsbaar gebied wat veel zeldzame plantensoorten herbergt.

De blauwe zegge (Carex panicea) is een overblijvende plant die behoort tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae). De plant komt van nature voor in Eurazië en heeft zich van daaruit verbreid naar Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland.

De plant wordt 20-40 cm hoog en heeft wortelstokken met uitlopers. De gladde stengels zijn stomp driekantig. De 2-6 mm brede bladeren zijn blauwgroen, waarvan de onderste bladscheden lichtbruin of soms enigszins roze zijn.

De blauwe zegge bloeit in april en mei. De 1-3 cm lange, rechtopstaande vrouwelijke aren zijn losbloemig. De bloem heeft drie stempels. De schutbladen zijn veel korter dan de bloeiwijze. Het onderste schutblad heeft een 1-2 cm lange schede. Bovenaan de bloemstengel zit één mannelijke aar. Het 3-4 mm lange, gladde, opgeblazen urntje is geelgroen en kleurt later donkerbruin. Het urntje is een soort schutblaadje dat geheel om de vrucht zit. De vrucht is een bolvormig tot eirond, 3-4 mm lang nootje met drie nerven en een korte, dikke, bruine snavel.

De plant komt voor op natte tot vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke grond in blauwgrasland, bermen, heidevelden en duinvalleien.

De geelgroene zegge (Carex demissa) is een vaste plant die behoort tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae). Het is een plant van zoete tot brakke, natte, matig voedselrijke grond: ze groeit daar tussen het gras. De plant komt van nature voor in West- en Midden-Europa en Noord-Amerika. In Nederland is de plant vrij zeldzaam.

De polvormende plant wordt 10-30 cm hoog, vormt een korte wortelstok en heeft gladde, stomp driekantige stengels. De 2-4 mm brede, gekielde en gootvormige bladeren zijn heldergroen. De onderste bladscheden zijn strokleurig tot beige en vezelen bij het ouder worden.\

De geelgroene zegge bloeit van juni tot de herfst met een bloeiwijze die uit een mannelijke aar en twee tot vier vrouwelijke aren bestaat. De mannelijke, meestal duidelijk gesteelde aar zit op de top van de bloeiwijze met daaronder de rechtopstaande, eivormige, tot 13 mm lange en 6-8 mm brede vrouwelijke aren.

De bloemen hebben drie stempels. De bladachtige schutbladen zijn langer dan de bloeiwijze en hebben een korte schede. De driekantig-omgekeerd-eivormige, 3-4 mm lange, groene urntjes vergelen later. Aan de top van het urntje zit een iets scheef staande, tweetandige snavel, die korter is dan het urntje. De vrucht is een nootje.

De sterzegge (Carex echinata). De stengels zijn stomp driekantig tot bijna rolrond. Verder zijn ze glad of bovenaan iets ruw. De onderste scheden zijn lichtbruin. Meestal vormt Sterzegge dichte pollen.

De bloeiwijze is 1 tot 3 cm lang. De 3 tot 5 zittende aren, zijn steeds enkele mm van elkaar verwijderd. De schutbladen zijn kafjesachtig, het onderste is soms priemvormig. De aren zijn bijna rond en bevatten vrij weinig bloemen. Aan de voet zitten een paar mannelijke bloemen en hogerop de vrouwelijke bloemen.

Deze bloemen hebben 2 stempels. De bovenste aar heeft aan de voet meer mannelijke bloemen en wordt knotsvormig. De kafjes zijn lichtbruin met een groene middenstreep en brede vliezige randen. De urntjes zijn stervormig. Ze zijn platbol, eirond, ongeveer 2 mm lang en lichtgroen, later geelbruin. Op de rug zijn ze generfd en aan de top hebben zit een 2-tandige snavel.

De sterzegge houdt van zonnige, vaak vrij open plaatsen op vochtige tot natte, voedselarme, onbemeste, zwak zure, humeuze tot venige grond (zand, leem en veen).De plant komt voor in veenmoerassen, schraal grasland, blauwgrasland, greppels, open plekken in bossen, langs boswegen, heide, oevers van heidevennen, duinvalleien, verzuurd trilveen en veenmosrietland.

De Hullig.
Een venige overgang van het beekdal naar de (voormalige) heide wordt (de) hullen. Je ziet dat weer terug als Hullendijk en Hullenstukken, maar de vorm Hullig (onder Lieveren) is een zeldzame variant..

Wie in Drenthe rondkijkt, ontdekt in de beekdalen vaak dezelfde veld- en straatnamen. Eigenlijk zijn namen als hullen, stroeten, mars(ch), brink en ma(de) niet meer dan een soort code. Ze geven een aanduiding van de bodemgesteldheid en/of het vroegere gebruik van het land. Als u dat weet, ziet u meer. Veldnamen (die weer in straatnamen verder leven) als eye-opener voor het Drentse bekenlandschap.

Een blik over de Hullig richting de Broeklanden.

Als een wachter houdt deze eik de omgeving van de Hullig goed in de gaten.

© Copyright MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

De nieuwe stuw in het Lieverse Diep, de oostelijke oever.

De nieuwe stuw, de oostelijke zijde.

Deze zijde van de stuw in het Lieverse diep is het beste te bereiken via de Zuidesch. Er is daar gelegenheid om te parkeren.

Je krijgt een hele andere blik van het gebied voorgeschoteld dan als je via Alteveer richting het Lieverse diep gaat. In tegenstelling tot het westelijk gebied oogt het hier minder gecultiveerd. Ook het heuvelachtige karakter dat zo typisch is voor het stroomgebied van de beek valt direct op. Het uitmonden van het Oostervoortschediep zal ook bijgedragen hebben aan de het uiterlijk.

Het beekdal van het Lieversche Diep is een van oorsprong door gletsjers gevormd dal, dat naderhand is gevuld met zand en veen. Vanuit het noorden is het beekdal opgevuld met kleiafzettingen. Vrijwel het gehele plangebied ligt in het potkleigebied.

Potklei geldt als een extreem slecht doorlatende laag. Er is niet of nauwelijks uitwisseling van water tussen de bovenste laag waarin de beek ligt en het diepere grondwater. In het gebied voorkomende leemlagen (keileem, beekleem en lössleem) versterken dit effect.

Alleen rond de Hazematen en bij Alteveer ontbreken deze slecht waterdoorlatende lagen. In het potkleigebied komt vanwege de slecht doorlatende lagen geen kwel voor. In de Hazematen is daarentegen wel sprake van kwel.

Hazematen zijn vochtige tot natte beekdalgraslanden (ca. 15 ha) op de westoever van het Lieverense Diep, grenzend aan de bossen van Mensinge. Het Lieverense Diep heeft zich hier diep ingesneden in het landschap, daarbij ook de potkleilagen doorsneden. Het is een smal, relatief diep dal: dwars over het diep gemeten verandert de hoogte binnen een afstand van 1 km van 5m (+NAP) in het Mensingebos via 1,5 m+ in het Diep tot 5 m+ in het Lieverder Noordbos.

Landschappelijk levert dat een zeldzaam beeld op. Ook de natuurwetenschappelijke waarde van het terrein is hoog, vanwege de verschillende kwelstromen, die uit oppervlakkige en diepere bodemlagen naar boven komen. Dat levert soortenrijke vegetatietypen op van veldrusschraallanden, dotterbloemgraslanden met Ronde en Paardehaarzegge (blauwgrasland), witbolgraslanden en Grote zeggen; in het rietmoeras wijst Kleine watereppe op kalkrijk kwelwater. Landschapecologisch gezien is hier een goed ontwikkelde middenloop van een laaglandbeek aanwezig, vergelijkbaar met de Drentsche Aa bij Oudemolen, maar op veel kleinere schaal.

De Hazematen zijn onderdeel van het landgoed Mensinge van Staatsbosbeheer. Het beheer bestaat uit het jaarlijks maaien en afvoeren van gras en riet en het zorgvuldig regelen van de oppervlakkige waterafvoer uit de percelen.

De omgeving van Lieveren heeft nog veel kenmerken van het traditionele esdorpenlandschap. Een vast onderdeel is een beek met aangrenzende graslanden. Ook de oude dorpsbosjes aan de rand van het beekdal zijn karakteristiek.

Hogerop, achter het bos, liggen de essen waar de boeren van Lieveren hun akkers hadden. Daarachter ligt het esdorp Lieveren zelf; een kleine verzameling boerderijen langs een paar slingerende wegen, ‘s zomers half schuilgaand in het groen.

Rond dit overzichtelijke, kleinschalig geheel strekten zich vroeger onafzienbare heidevlakten uit, het enige onderdeel van het oude landschap dat grotendeels is verdwenen.

Vroeger vormde het bos een aaneengesloten gordel die de es afscheidde van het beekdal en de heide.

De typische kenmerken zijn:
*een brink.
Oorspronkelijk lag zo’n brink aan de rand van het dorp waar de koeien en schapen ‘s avonds en ‘s ochtends bijeenkwamen. Op die brink plantte men eiken of populieren om te gebruiken als bouwmaterialen. Door de groei van de dorpen kwam die brink later vaak in het centrum van het dorp te liggen. Bovendien vonden op de brink wel markten plaats, waardoor het een centrale functie kreeg.
*een es.
De es was de gemeenschappelijke akker. Vaak ligt deze wat hoger dan het dorp. Die hoge ligging is deels ontstaan door de wijze van bemesting van de essen, en deels doordat de locaties van zichzelf al hoger lagen.
*een beek.
In beekdalen werd over het algemeen het hooi geteeld om als wintervoer voor het vee te dienen.
*Madelanden.
Langs de beek liggen madelanden en hooilanden.
Die madelanden werden gemeenschappelijk beweid door koeien. De nattere hooilanden werden eens per jaar gemaaid.
*het veld (heide).
Op het veld werden de schapen van het dorp gehoed door de dorpsherder.
*de boerderijen staan bij elkaar in het dorp.

1. Niet alleen de flora en de fauna in dit prachtig gebied wordt in oude staat herstelt, maar ook het aangezicht van de omgeving. De ordinaire roestige afscheidingshekken zijn vervangen door houten exemplaren. Je waant je op dit soort plekjes 200 jaar terug in de tijd.

2. Het fietspad richting het Lieverse diep vanaf de Zuidesch. Verbluffend is de overeenkomst met het gebied bij de oude stuw. Het fietspad, het bos aan de linkerzijde, landerijen aan de rechterzijde.

Niet zoals bij de oude stuw een moerassig bosje, maar een hoger gelegen en droog bos.

3. Iedere nazomer maaiden de boeren het gras in het beekdal om er hooi van te maken. Daarmee hielpen ze hun vee de winter door. De beekdalen waren dus een onmisbare schakel in de esdorpenlandbouw. Zonder hooi geen vee, zonder vee geen mest en zonder mest geen bestaan.

Vooral de lage delen van het beekdal waren in gebruik als hooiland. Ze waren meestal te drassig om er vee te laten lopen. De drogere gronden op de flanken gebruikte men wel om runderen en paarden te laten weiden.

4. Aangekomen bij het bruggetje over het oude gedeelte van het Lieverse diep kwam onverwachts de grote zilverreiger met veel lawaai mij gezelschap houden. Links is de picknicktafel te zien waar het ‘s zomers heerlijk vertoeven is.

5. Grassoorten, veldrus en riet kenmerken dit gedeelte van de oorspronkelijke beekloop. Hoe mooi is het contrast met de donkere bomen in de winter.

6. De kale bomen laten in de winter hun grillige vormen zien. Hulst onder en rond de bomen maakt het plaatje compleet.

De hulst komt met name voor in beuken- en eikenbossen: de boom verdraagt een zure grond. De langzaam groeiende boom kan tot 10 m hoog worden en wordt gemiddeld 100 jaar oud. De leerachtige bladeren van de hulst zijn getand en voorzien van stekels. De hulst is een tweehuizige plant; de mannelijke en de vrouwelijke bloem komen op verschillende planten voor. De bloeitijd loopt van mei tot in juni.

Hulst is een symbolische plant vanwege zijn altijd groene verschijning. Volgens oud bijgeloof zou hulst bescherming bieden tegen blikseminslag en tegen vijandige machten zoals demonen en heksen.

De oude beekloop richting het bruggetje.

Natuurlijk bevat het Lieverse diep een uitgesproken groot assortiment aan waterbewoners.

De pos (Gymnocephalus cernuus), hier in de omgeving ook wel schele pos genoemd, is een baarsachtige vis die wel 25 centimeter lang kan worden. De pos leeft in scholen, is dagactief en zoekt op de bodem naar voedsel. De paaitijd ligt tussen maart en juni bij een watertemperatuur van ongeveer 15°C. In grote scholen zoeken de vissen dan ondiep, zuurstofrijk water op.

In tegenstelling tot wat wij als sportvissers dachten wanneer tijdens het vissen op paling de zoveelste pos onthaakten, is deze vis niet overheersend in het Lieverse diep.

Tijdens het bemonsteren van de visstand in 2008 werden er 17 vissoorten gevangen. Van de 1034 vissen bleken er 53 pos te zijn. Dus grofweg gezegd bestaat de populatie maar uit 5% pos.

De alver (Alburnus alburnus) is een zijdelings afgeplat, zilverachtig visje dat wat stijf aandoet. Hij kan maximaal 25 cm groot worden, maar is over het algemeen kleiner dan 15 cm. Bij direct zonlicht vallen ook parelmoerachtige kleuren op die worden veroorzaakt door de grote hoeveelheid guaninekristallen in de schubben.
De alver is een vis die in scholen aan het oppervlak van het water leeft. Hij is vaak te vinden in grote scholen voor de uitgang van gemalen, maar komt ook wel voor in stilstaand wateren. Een alver voedt zich vooral met plankton en met insecten, maar ook met larven en wormen.

In het voorjaar komen de alvers naar de oppervlakte om te paaien in ondiep water, vaak met een harde ondergrond. Ze worden ongeveer 5 à 6 jaar oud en ze zijn op hun derde jaar geslachtsrijp. De kleverige kuit wordt in onderwaterplanten gelegd.

Wat mij ten zeerste verbaasd het is dat er tijdens het bemonsteren maar 1 alver gevangen is. Het zal waarschijnlijk toeval geweest zijn want ze zwemmen in grote scholen in het Lieverse diep.

Het vetje (Leucaspius delineatus) is een spoelvormig visje met een brede bovenstandige bek en een vrij stompe kop. De vinnen zijn afgerond. De zijlijn is onvolledig en hij heeft grove schubben die vrij gemakkelijk loslaten. Ze zijn zilverachtig, maar als er veel Daphnia in het water zitten soms ook wat lila.

De visjes kunnen maximaal 12 cm groot worden, maar zijn meestal zo’n 6 tot 8 cm lang. Jonge vetjes zijn moeilijk van alvers te onderscheiden. De stompe kop en de bek die aan een shovel doet denken zijn duidelijke kenmerken van het vetje.
In de paaitijd kan het mannetje aan de paaiuitslag in de vorm van kleine witte puntjes over het hele lichaam herkend worden. Het vrouwtje heeft een wittige wat gezwollen genitaalpapil.

Vetjes komen in heel ondiep water voor. Vaak zitten ze in kleine slootjes onder stuwtjes. Ze koloniseren vaak nieuw water en kunnen ook in visvijvers voorkomen waar roofvissen ontbreken. In dat soort omstandigheden is het vetje vaak massaal aanwezig. Het vetje eet alleen levende ongewervelden, zoals muggelarven, haften en daphnia’s

Uit recenter visonderzoek is gebleken dat in het Oostervoortsche Diep en het Lieversche Diep de beschermde vissoorten bermpje en kleine modderkruiper voorkomen. De genoemde soorten kennen binnen de Flora- en faunawet alle een streng beschermingsregime.

7. Het is mooi te zien hoe de oude beekloop meandert in het gebied. Gezien vanaf het bruggetje.

8. Het bruggetje over de oude beekloop. En naar het noorden gezien.


9. Een blik hoe het er voor ruim honderd jaar geleden nog uit moet hebben gezien.

10. Ook hier in het moerassig gedeelte voelen wilgen zich thuis.

11. Imposant staan de oude bomen langs de beek en houden alles in de gaten.

12. Einde fietspad. Hoe toepasselijk dat de oude beekloop hier ook stopt.

13. Hoe mooi moet dit plekje wel niet zijn in de zomer voor de vogels?

Het kreupelhout en riet zijn ideale broed- en schuilplaatsen.

Het summum is wel dat de dienst landelijk gebied plannen maakt waarvan je als natuurliefhebber en liefhebber van het stroomgebied van het Lieverse- en Peizediep helemaal week gaat worden. Getuige de situatieschets hier onder staat ons nog veel moois te wachten. Iets wat ik van harte toe juig!

© Copyright MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

De nieuwe stuw in het Lieverse Diep, de westelijke oever.

De nieuwe stuw, westelijke zijde.

De meest zuidelijkst gelegen stuw, stroomopwaarts in het Lieverse diep, wordt in de volksmond ook wel de nieuwe stuw genoemd. Deze stuw is inmiddels ook tot een vistrap omgevormd en ligt oostelijk van Alteveer.

Het gebied westelijk is via de Stuwweg te voet en op de fiets eenvoudig te bereiken.

Vanaf het punt dat de Stuwweg overgaat in het fietspad wordt u omringt door vele houtwallen die zo typerend zijn voor de omgeving van Roden. Als men via het fietspad dichter bij het Lieverse diep komt gaat het beekdallandschap duidelijkere vormen aannemen.

Ook hier in het gebied zijn de sporen van het terugbrengen naar de oorspronkelijke staat van het gebied erg goed te zien. De grond is inmiddels aardig moerassig geworden en herbergt de planten die deze omgeving zo erg koesteren.

Schijnbaar zijn enkele meanderende stukken van de oude beekloop bewaard gebleven en nu dat men het gebied laat ‘verwilderen’ komen de oude beeklopen weer helemaal tot hun recht.

Opvallend is toch wel dat het water westelijk gelegen ruim een meter hoger staat dan het Lieverse diep, oostelijk ruim een meter lager. Aan de westelijk gelegen gedeelte is het nog enigszins verklaarbaar, daar begint de oude beekloop ongeveer op de zelfde hoogte van het diep.

Wat mij opviel was de bedrijvigheid onder de aanwezige vogels. Aalscholvers, buizerds, eenden, ganzen, mezen en reigers lieten zich maar als te graag horen. In de zomer, als alles in bloei staat is het schouwspel nog veel mooier. Dan zie ook enorm veel insecten en mooie vlinders.

Door middel van een benummering op de kaart is het mogelijk te zien waar wij ons bevinden in het mooie gebied langs het Lieverse diep.

Ook hier weer een oude eik. Een beeld dat je veel ziet in de omgeving van Roden.

1. Het fietspad dat richting het Lieverse diep gaat.Op de achtergrond een van de vele bossen die in het verleden zijn aangelegd. Waarschijnlijk dienden ze voor de houtkap.

Wilgen, een van de meest voorkomende bomen in het vochtig gedeelte van het beekdal.

Wilg (Salix) is een geslacht van tweehuizige bomen en struiken uit de wilgenfamilie (Salicaceae). Wilgen zijn bladverliezende bomen met verspreide bladstand. De knop heeft één knopschub. De bloem van de wilg heeft de vorm van een katje en groeit uit de zijknoppen van een éénjarige twijg. De wilgenkatjes zitten of staan, dit in tegenstelling tot populieren die hangende katjes hebben.

De pluizige zaden worden door de wind verspreid maar zijn slechts korte tijd kiemkrachtig. De meeste soorten zijn te vermenigvuldigen door middel van stekken.

Wilgen zijn pioniersoorten met een grote lichtbehoefte. Wilgen komen in Nederland en Vlaanderen veel voor langs sloten en plassen. Wilgen houden namelijk over het algemeen van een vochtige bodem en groeien zeer snel.

Wilgen ontkiemen met name in ooibossen op de grens van land en water. Doordat de wortels de grond luchtig maken en door de humusvorming van blad en takafval wordt de grond geschikt voor soorten die volgen als es, eik. Wilgen worden over het algemeen niet oud. De watermerkziekte en torsiekrachten van de wind zorgen dat een wilg meestal niet ouder dan veertig tot vijftig jaar wordt.Wilgen zijn voor insecten een belangrijke leverancier van stuifmeel. Met name diverse solitaire bijen zijn afhankelijk van bloeiende wilgen.

2. Het Lieverse diep, gezien richting de Langelosebrug in het zuiden.

3. De monding van het Oostervoortschediep in het Lieverse diep.

Op een oude landkaart uit 1867 van Hugo Suringar wordt het Oostervoortschediep nog het Kleine diepje genoemd. Ook de bovenloop van deze beek wordt in de oude staat hersteld zoals dat bij het Lieverse- en Peizerdiep is of gaat gebeuren. De Dienst Landelijk Gebied doet erg zijn best deze gebieden weer terug te brengen in de oorspronkelijke staat.

Met dit beekdalherstel wordt het zuidelijke deel van het Oostervoortschediep aangepast. In het kort komt het er op neer dat de beek wat smaller en ondieper wordt gemaakt.Daarnaast wordt de beek meer natuurlijk aangelegd. Dat noemen we het laten hermeanderen van een beek.Doel is de beek natuurlijker te maken. De grondwaterstand in het gebied direct grenzend aan de beek, gaat hierdoor omhoog, waardoor de flora en fauna veranderen en bijvoorbeeld pitrus plaats zal maken voor dotterbloemen.

In de toekomst zal ik ook de nodige aandacht aan de Broekenloop (zo wordt de bovenloop ook wel genoemd) en het Oostvoortschediep gaan besteden.

4. Oostelijk vanaf het Lieverse diep heb je een prachtig uitzicht over het westelijk gedeelte van het beekdal. Sporen van de koude golf eind januari/begin februari zijn nog duidelijk zichtbaar, getuige het nog aanwezige ijs.

5. De nieuwe stuw. Ondanks dat men er een vistrap van heeft gemaakt blijven de ijzige en kille vormen van het beton schreeuwend zichtbaar.

In de jaren zestig van de vorige eeuw zijn vrijwel alle beken in het Drentse deel van het waterschap Noorderzijlvest gekanaliseerd en voorzien van stuwen om zo de waterstand beter te kunnen beheersen. De kanalisatie had gevolgen voor de in beken aanwezige flora en fauna. Migratie werd voor beekvissen nagenoeg onmogelijk. Vandaar dat in de huidige landinrichting Roden-Norg grote aandacht is voor natuurlijk herstel van gekanaliseerde beken.

De vispassages in het Peizerdiep zijn op initiatief van de Hengelsportfederatie Groningen-Drenthe (HSF) al in 1989 aangelegd. De vispassages, in trapvorm aangelegd, waren destijds vooral bedoeld om de bovenstroomse migratie van snoekbaars mogelijk te maken. Verrassend genoeg vond ook de winde, een karperachtige, dankzij de vistrappen een nieuw paaigebied in het Lieversche Diep. Sindsdien trekken de windes ieder voorjaar vanuit het Lauwersmeer naar het Peizerdiep om te paaien. “Deze vis staat symbool voor het herstel van het Peizerdiep en haar bovenlopen voor beekvissen”, aldus Albert Jan Scheper namens HSF Groningen-Drenthe.

Voor met name de kleinere beekvissoorten, zoals serpeling, riviergrondel en bermpjes, zijn de oude passages in het Peizerdiep echter nog niet passeerbaar. Zodoende zijn de al herstelde beken voor hen onbereikbaar. Vandaar dat Dienst Landelijk Gebied, Arcadis in opdracht van het waterschap Noorderzijlvest de betreffende passages aanpassen en verbeteren. De Grontmij en HSF Groningen-Drenthe hebben over de aanpassingen advies uitgebracht. (bron)

6. Aan de oevers is nog te zien hoe hoog het water in januari stond. Een saillant en luguber detail is dat de oevers hier vol liggen met de resten van zwanenmosselen.

De zwanenmossel (Anodonta cygnea) is een in zoet water levende tweekleppige van de familie Unionidae.De zwanenmossel, die 20 centimeter lang en 12 jaar oud kan worden, voedt door middel van een filtersysteem, aangedreven door een aantal sterke spieren.

Het dier bezit een grote, gespierde voet, die gebruikt wordt om het lichaam voor zo’n 70% in de bodem in te graven, om vervolgens door één opening, bedekt met fijne cilia om grof materiaal te manoeuvreren, water naar binnen te pompen. Het water gaat via de maag, waar eetbare deeltjes worden uitgefilterd, langs de kieuwen, om uiteindelijk vie een tweede sifon het lichaam te verlaten. Afvalstoffen verlaten de mossel via deze zelfde sifon.

De zwanenmossel heeft twee zeer sterke spieren, de adductoren, waarmee de twee schelpen bij elkaar worden gehouden. Wanneer er gevaar dreigt, kan de mossel de schelp zo sterk sluiten, dat het zelfs voor een mens welhaast onmogelijk is de mossel te openen zonder de schelp te breken.

De mannetjes laten hun sperma in grote hoeveelheden het water los. Omdat er veel sperma wordt verspreid en omdat de vrouwtjes het water actief rond pompen, worden de eitjes (in de mantelholte) bevrucht. De eieren (het vrouwtje kan er enkele miljoenen leggen) komen snel uit, ontwikkelen na zo’n vijf dagen kleine schelpjes en nemen een parasitaire levensstijl aan.

De schelpjes hebben kleine tandjes, waarmee de larven zich vasthechten aan passerende vissen, op wiens slijmlaag zij een maand lang zullen teren. Na deze maand laten de mossels los, en zullen zij de rest van hun leven doorbrengen als filtervoedende bodembewoners.De zwanenmossel is een wijdverbreide soort. Zij komt voor in bijna heel Europa, is minder algemeen in Groot-Brittannië en heeft zich door aquariumdierenhandel met gematigd succes weten te verspreiden in Noord-Amerika. In Nederland komt de zwanenmossel zeer veel voor. In Duitsland, Polen en de Tsjechische Republiek wordt de soort met uitsterven bedreigd.

De zwanenmossel is zeer gevoelig voor watervervuiling. Als de habitat van de zwanenmossel vervuild raakt, sterft vaak een groot deel van de populatie, aangezien elke gestorven mossel het water zelf sterk vervuilt, en zo de situatie verergert. Zwanenmosselen worden soms gebruikt als “early warning”-systeem voor verontreiniging; verhoogde sterftecijfers en veranderingen in gedrag kunnen wijzen op waterverontreiniging.

De bittervoorn (Rhodeus Amarus) is voor zijn voortplanting afhankelijk van de zwanenmossel. De larven van de zwanenmossel profiteren daar echter niet van omdat ze zich op andere vissoorten hechten.

Na zeer strenge winters, zoals in 1963 kunnen de zwanenmossels ook massaal verdwijnen en daarmee ook de bittervoorns, die echter geen bepaalde voorkeur voor mosselsoorten hebben. Bittervoorns gebruiken zelfs de Aziatische korfmossel voor hun voortplanting.

Het is mij niet bekend of de bittervoorn ook in dit stroomgebied voorkomt. Er zijn geen exemplaren gevangen tijdens het meten van de visstand in het stroomgebied van de beken.

7. Een gedeelte van oude meanderende beek. Je krijgt hier een nog het idee van hoe het hier was voor de kanalisatie en het laten dalen van het waterpeil.

De moerassige bodem, een paar populieren, de rusge- of ruskepollen in het veld. Een beeld wat je veelal in de omgeving van Roden ziet, en zeker daar waar de natuur naar de oude situatie van voor het ontginnen terug gebracht is.

Dit beeld gaan we weldra veel vaker zien bij de beken in Noord-Drenthe. De Dienst Landelijk Gebied laat ons zien hoe dit typisch gebied van de oude beeklopen en het daarbij passende beekdalen er altijd uit moeten hebben gezien. Een initiatief dat ik van harte ondersteun.

Tot mijn grote verbazing zag ik een grote witte reiger statig staan en geconcentreerd te loeren op prooi. Even later kwam er een blauwe reiger met veel lawaai aanvliegen die vlak bij het witte exemplaar landde. Na enig zoeken bleek het om de grote zilverreiger te gaan. Een soort die ik hier nog nooit eerder had gezien maar schijnbaar niet zo zeldzaam is als ik had verwacht.

De grote zilverreiger (Ardea alba) is een witte vogel uit de familie der reigers. Voorheen stond de vogel ook bekend als Egretta alba (Linnaeus, 1758) of Casmerodius albus. Met zijn lengte van 85 – 100 cm is de zilverreiger zelfs nog iets groter dan de blauwe reiger. De spanwijdte is 1,45 tot 1,70 m, zijn gewicht 1-1,5 kg.

Hij leeft van vis, amfibieën, kleine zoogdieren en soms ook reptielen en vogels. Hij foerageert meestal in ondiep water, maar ook op het land. Zijn jachttechniek is eenvoudig: langdurig roerloos staan tot een prooidier in de buurt komt, of heel rustig wadend zijn prooi achtervolgen. Eenmaal dichtbij, spiest hij zijn prooi aan zijn dolkvormige snavel.

De reiger komt meer voor in Italië, op de Balkan en in Turkije. De grote zilverreiger is bezig aan een opmars in Europa. De vogel broedt nu ook in Nederland, Duitsland, Slowakije, Polen, Wit-Rusland en Litouwen. Het eerste broedgeval in Nederland vond plaats in 1978 (Oostvaardersplassen) en in Litouwen in 2005. Het aantal broedparen in Nederland steeg geleidelijk tussen 1978 en 2007 naar 150 per jaar. Omdat het in het begin niet duidelijk was dat deze vogel als broedvogel zich zou handhaven, werd hij in 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst gezet. Op de internationale IUCN-lijst (vermeld als Casmerodius albus) staat hij als niet bedreigd, maar hij valt wel onder het AEWA-verdrag. Buiten de broedtijd wordt de grote zilverreiger in Nederland en België ook steeds vaker waargenomen.

Links op de foto de zilverreiger, rechts de blauwe reiger die aan kwam vliegen. Ondanks het vele lawaai dat de blauwe reiger produceerde bleef de grote zilverreiger geconcentreerd staan te loeren op prooi. Naar mijn idee een teken dat de grote zilverreiger hier al enigszins bekend is met de omgeving.

Ook mijn aanwezigheid deerde hem totaal niet. Uit respect voor de kwetsbaarheid van het gebied ben ik niet dichter naar de vogels gegaan.

Een mooi gezicht over het gebied richting de boswallen.

En de oude beek meanderd er vrolijk op los.

8. Het gemaaltje dat het water uit het oude stukje beek in het Lieverse diep pompt. Het hoogte verschil tussen beide waterniveau’s bedraagt ongeveer 1 meter.

Ook hier is de zwarte els een veel voorkomende boomsoort.

De nieuwe stuw gezien vanaf het gemaaltje.

9. Het Lieverse diep noordelijke richting. Ook hier is te zien dat het water aardig hoog heeft gestaan.

Ook hier is weer mooi te zien hoe het bos met de beekdal een contrast vormt.

© Copyright MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

De Bitse gehuld in een deken van sneeuw.

De Bitse in de winter.
De winter heeft haar zachte witte deken van sneeuw over de natuur heen gelegd. Ik kon het niet laten om wat plaatjes te maken van de Bitse. Het was grijs en zo nu en dan dwarrelden wat kleine sneeuwvlokjes naar beneden. Af en toe probeerde de zon zich ook te laten zien. Naast de overlast die sneeuw kan bezorgen levert het ook idyllische plaatjes op.

De eerste vijver tussen de Zulthe en de Klimop. Dieren hebben inmiddels ontdekt dat er door de sneeuw en over het ijs gelopen kan worden.

Het begin van de tweede vijver en gezien vanaf de duiker die onder de Klimop doorgaat.

Een blik richting de duiker. De zon doet verwoede pogingen om de bewolking te doorbreken.

De plaatselijke jeugd heeft ontdekt dat het ijs sterk genoeg is en heeft een gedeelte sneeuwvrij gemaakt.

De zwarte elzen geven het winters plaatje toch weer wat extra’s.

De vijver gezien vanaf de Hulst

De duiker aan de Hulst. Hier duikt de Bitse onder de Hulst door en komt later als beekje weer te voorschijn.

Aan de andere kant van de Hulst. Door de sneeuw zijn de contouren van het beekdal goed te zien.

Ook hier zijn veel zwarte elzen te vinden.

Door de boswal bij het bezinkbasin is een oude eik te zien. Dit zie je vaker bij weilanden in de omgeving van Roden. Waarschijnlijk zijn ze geplant om het vee wat schaduw in de zomer te verschaffen.

Een meidoornstruweel. Struwelen van meidoorn of bramenstruiken zijn erg typisch voor dit gebied.

Nogmaals de oude eik.

De Zulthe gezien vanaf de Bitse.

Rechts de boerderij ‘Vogelzang’ aan de Zulthe. Deze boerderij wordt al in 1867 genoemd op een kaart van Hugo Suringar te Leeuwarden.

In de jaren negentig is deze boerderij herbouwd als woonboerderij. Vanaf de Noordholt zijn de ezels die daar rondlopen vaak te zien op de geluidswal die naast de rondweg ligt.

De Bitse bij het meidoornstruweel.

De lichamelijke hygiëne gaat ook gewoon door bij de vogels. Een groepje spreeuwen was bezig met het badderen in de Bitse. Vanaf het ijs in het water duiken bij min zeven graden, je moet maar durven.

De spreeuw (Sturnus vulgaris) is een vogel uit de familie van de spreeuwachtigen (Sturnidae) uit de orde zangvogels (Passeriformes). Hoewel hij het hele jaar door te zien is, is het een trekvogel. De spreeuwen die wij hier ‘s zomers zien, zitten ‘s winters zuidelijker en onze winterspreeuwen bevinden zich ‘s zomers noordelijker.

Het verenkleed is glanzend zwart met, vooral in het zonnetje, een weerschijn van bronsgroen (kop en achterhoofd) en verschillende variaties purper. In de winter is het duidelijker gespikkeld dan in de zomer. Behalve voor kenners is er eigenlijk nauwelijks onderscheid te maken tussen het mannetje en het vrouwtje. Omdat de veren van het wijfje wat groter en breder zijn, en omdat de uiteinden van de contourveren wit gekleurd zijn, zijn háár stippels van het winterkleed groter en staan bovendien wat dichter opeen. Jonge spreeuwen zijn grijsbruin met een lichte keel. Aan het eind van de zomer ruilen ze dit verenpak om voor dat van de volwassenen, zij het dat hun spikkels duidelijker zijn dan die van de oudere volwassenen die meer gemêleerd zijn.

De lengte bedraagt 19–22 cm; met een spanwijdte van 37–42 centimeter en een gewicht van 70-80 gram.
Spreeuwen kunnen lang achtereen zingen, het geluid dat ze hierbij maken klinkt vaak meer als een soort gekwetter dan een gefluit.

Met name spreeuwen vliegen in het najaar vaak in grote groepen (zwermen). In het Deens gebruikt men hiervoor het begrip Sort Sol. In het Engels noemt men dit Black Sun.

© Copyright MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , , , | 12 reacties

De natuurijsbaan.

De vrijwilligers die bij de ijsbaan in Roden er voor zorgen dat het ijs in prima conditie erbij ligt, hebben het nu erg druk. Met de ingevallen vorst gaat het bloed natuurlijk weer jeuken en zoals het er nu uitziet terecht.

De natuurijsbaan in Roden is gelegen tegen het Mensingebos en bereikbaar via het Windgat nabij de Mensingheweg. In de tijden dat er geen water opstaat is het gewoon een weiland waar vee graast. Zowel in de zomer als in de winter is deze idyllische locatie een plaatje om te zien.

Menig Rôner is dan ook trots op ‘zien iesboan’ en tijdens periodes dat er geschaatst kan worden, is de ijsbaan dan ook zeer druk bezocht. De entree is ook maar een luttel bedrag, zeker gezien de mooie natuur in de omgeving waarin de ijsbaan ligt.

Al in 1933 was het al een heel spektakel dat de natuurijsbaan geopend werd. Alle notabelen uit het dorp waren aanwezig. Ook de ‘juffer’ van Havezate Mensinge, Juffrouw Kymmell, mocht niet ontbreken.

Het is nog steeds een heel spektakel als de ijsbaan geopend is. Als de mogelijkheid bestaat, gaan de scholen in de gemeente massaal de schaatsen onderbinden en houden schaatswedstrijden.

‘s Avonds is het er ook nog eens gezellig door de verlichting die ontstoken is en de muziek die er bij past. De jeugd weet de ijsbaan dan wel te vinden en pikt mening baantje op de schaats mee.

Maar niet alleen vandaag de dag is het een belevenis, vroeger was het ook niet bepaald een straf zoals de drie toen nog jongedames laten zien. De foto zal gezien de kleding naar mijn schatting uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw zijn.

Schaatsen op de ijsbaan bij het Mensingebos te Roden met van links naar rechts de dames Annie Pol, Willie Bulthuis en Nannie de Graaf. (bron)

Het ijs ligt er heerlijk bij, maar heeft nog een nachtje vorst nodig om betrouwbaar genoeg te kunnen zijn.

‘Het was vannacht niet koud genoeg’ begon een van de vrijwilligers tegen mij toen ik vanochtend bij de natuurijsbaan meldde met de vraag op het ijs inmiddels sterk genoeg was. De beste man kon een kleine teleurstelling amper onderdrukken. Maar het is niet anders, vervolgde de oude man zijn relaas, de machines moeten wel het ijs op kunnen om het sneeuw er af te vegen.

Aan de inwendige mens is er ook gedacht. Er is een gebouw waar men hete Kwast, warme chocolademelk of een gevulde koek kan nuttigen of gewoon even lekker opwarmen bij de kachel.

Het ligt in de planning dat de natuurijsbaan donderdagmiddag 2 februari 2012 geopend zal gaan worden voor publiek.

© Copyright @MooiRoon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Havezate Mensinge, statige elegantie met stijl.

Roden bestaat niet alleen uit beken en bos. De aantrekkingskracht van dit gebied is al honderden jaren oud. Niet alleen werkte die kracht op de noeste veenarbeider, de stoere boerenknecht of de zwoegende bosarbeider, maar ook de adel voelde zich aangetrokken.

Havezate Mensinge

Het landgoed Mensinge is één van de meest boeiende landgoederen van de provincie Drenthe. Het landgoed bevindt zich in een vochtig bosrijk gebied. Op twee vierkante kilometer vind je hier bijna elementen van het klassieke Drentse landschap: bos in verschillende soorten en leeftijden, heide, vennen, een lieflijk beekdal met een kronkelende beek; het Lieverse Diep, houtwallen en een es.

Het belangrijkste gebouw op het gebied is Havezate Mensinge die meer dan zeshonderd jaar oud is en het gebouw verkeert weer in een zeer goede staat.

Een havezate is van oorsprong de woning van de eigenaar van een landgoed. De huidige entreepoort aan de Mensingheweg stamt uit 1920 en draagt de wapens van de laatste bewoners, de familie Kymmell. Havezate Mensinge is uniek omdat het nu nog een authentieke achttiende-eeuwse inrichting heeft. Alle vertrekken zijn vrij toegankelijk voor het publiek en geven een goed beeld van het vroegere leven en wonen in een Drentse havezate. Het is alsof de bewoners even weg zijn. In de kelder staan nog de geweckte potten vlees.

Aan weerszijden van de oprijlaan staan het Koetshuis en de Koetsierswoning. Op het veld achter het Koetshuis bevindt zich nog een originele duiventil uit 1750.

Voor meer informatie over de Havezate Mensinge en de bijbehorende gebouwen: www.Mensinge.nl

Vanaf de parkeerplaats naast het terrein van Havezate Mensinge gaat een looppad van oudgebakken klinkers dat voor de havezate langs loopt, richting het Windgat en de Steenbergerloop en even verder overgaat is een zandpad.

Aan beide zijden van het pad staan eeuwen oude eiken die soms de vreemdste vormen hebben aangenomen.

Rechts de havezate, links is een stukje van het voormalige Koetsierswoning te zien.

Rechtsboven staat de Koetsierswoning, rechtsonder het Koetshuis en links de brug over de gracht. Zomers is het een lust voor het oog om op die brug te staan en de scholen van volwassen blankvoorns voorbij te zien zwemmen.

En natuurlijk ontbreken de wilde eenden ook niet. De stumpers hadden het koud.

De oude majestueuze bomen staat hier ook al vele jaren. Juist nu in de winter zijn de grillige vormen van veel bomen goed te zien. Ook de winter heeft zijn voordelen.

De originele duiventil uit 1750 staat er nog net zo parmantig bij als toen hij zo’n 260 jaar geleden gebouwd werd.

Het Koetshuis.

Mensinge gezien vanaf zuidelijke richting langs de sloot.

De oude laan richting de havezate. Ook hier staan veel oude bomen. Het ziet er voor het gevoel nog net zo uit als zo’n 200 jaar geleden. Je verwacht dat er elk moment een rijtuig aan kan komen.

De zuidelijke zijde van de havezate.

De noordelijke zijde van Havezate Mensinge.

Karakteristiek verschijnen de bomen op het landgoed. De grillige en wispelturige vormen zijn een lust voor het oog.

De Catharinakerk: nauw verbonden met historie Mensinge Ten noorden van Mensinge – op zeer korte loopafstand van de Havezate – bevindt zich de 13e eeuwse Catharinakerk. Deze Nederlands Hervormde kerk is nauw verbonden met de geschiedenis van Havezate Mensinge. In het koor van de Catharinakerk is nog steeds de oorspronkelijke Herenbank aanwezig die in opdracht van Coenraad Wolter Ellents en Gesina Oldenhuis hier is geplaatst. In de herenbank zijn de twee familiewapens uitgesneden. Gesina Ellents is ook betrokken bij de bouw van het Hinsz-kerkorgel. Vermoedelijk heeft Ellents ook een aparte ingang voor de bewoners van Mensinge in de kerk laten bouwen, het zogeheten Kymmell-poortje. Bij de restauratie van de Catharinakerk in 1932 is deze ingang echter weer verwijderd. In de zomermaanden is de kerk voor bezichtiging geopend.

Naast de Catharinakerk ligt de voormalige boerderij ‘Winsinghhof’. Daarin is tegenwoordig een cultureel centrum gevestigd

Een laatste blik op de noordzijde van dit prachtig oud gebouw. Het staat er net zo statig bij als zijn voormalige bewoners dat de afgelopen 600 jaar hebben gedaan, met veel stijl.

© Copyright @MooiRoon 2012

Categories: Foto's, Monumenten | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Terug naar de oorsprong.

Nadat in het verleden vele beken en rivieren gekanaliseerd zijn schijnt nu het besef terug te keren dat het snel afvoeren van water ook nadelen heeft. Water wat vroeger in de buitengebieden van de beken en rivieren gebufferd werd gaat nu met een hoog tempo richting de zee. De kanalen kunnen de druk bij veel neerslag nog amper aan en dijken raken verzadigd en dreigen door te breken.

Buiten dat er in de Peizer- en Eeldermaden al zogenaamde ‘klmaatbuffers‘ zijn aangelegd zal ook het hervormen van het gebied rondom het Peizerdiep een gunstige invloed hebben op het afvoeren van water. Een andere positieve ontwikkeling in mijn ogen is toch wel het terugbrengen van het stroomgebied in de oude staat voordat de kanalisatie abrupt een einde maakte aan het typisch beekdallandschap van het Peizerdiep. De watergangen die nu nog recht zijn, worden slingerend en er komt een bekenstelsel. De komende twee jaar wordt er aan het plan ‘Beekherstel Peizerdiep’ gewerkt. Natuurliefhebbers juichen de plannen toe. Boeren in het gebied zijn bang voor overlast.

Ook het omliggende gebied zal terugkeren in de oude staat. Geen strakke weilanden meer met gras, maar moerassige landerijen.

Landinrichtingscommissie Roden – Norg die bestaat uit medewerkers van de Dienst Landelijk Gebied, het Waterschap Noorderzijlvest en de terreinbeheerders Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Het Drentse Landschap, gaat er op toezien dat het 7 miljoen euro kostende project goed wordt uitgevoerd. De benodigde 7 miljoen euro zijn op tafel gelegd door de provincie Drenthe, Waterschap Noorderzijlvest en door Europa. Het projectleiderschap en enkele ondersteunende onderzoeken zijn uitbesteed aan ARCADIS Nederland BV.

Het gebied achter de ‘oude stuw‘ laat mooi zien hoe het in de toekomst ook kan gaan uitzien. Het oude karakter van de beek keert hier al met rasse schreden terug.

Niets geen strakke lijnen meer, de natuur kan haar gang gaan. Ook het ‘verwaarlozen’ van het gebied geeft het Lieverse Diep haar kracht terug.

De Landinrichtingscommissie Roden – Norg heeft een mooie en educatieve folder uitgebracht met de titel ‘Beekherstel in het Peizerdiep, Naar een natuurlijke beek’. (voor de liefhebbers van pdf bestandjes – klik hier) Een interessante folder waar potentie uitstraalt.

(bron)

Ik plaats hem ook hier zodat u een indruk kan gaan krijgen van de duidelijke en lovenswaardige ambities die de Landinrichtingscommissie Roden – Norg wil gaan realiseren.

© Copyright Mooi Roon 2012

Categories: Buitengebieden, Foto's | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Blog op Wordpress.com. Thema: Adventure Journal door Contexture International.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 70 other followers