De Gouwe.
De Gouwe is een stroompje dat vanuit het noord-westen boven Sandebuur zuid-westelijk door de omgeving loopt en in het Leekstermeer uitmondt. Zoals alle stroompjes en beekjes in het gebied om Roden, is ook de Gouwe slachtoffer geworden van het rechttrekken en kanaliseren door onze voorouders.

De kaart boven geeft aan hoe de Gouwe eruit zag voor de herinrichting van de polder. Inmiddels is het gebied veranderd ter wille van waterbergingsproject De Onlanden en loopt noordelijk van de Gouwe een dijk.
Het project heeft een groot effect voor de natuur in de omgeving van Roden. Ook hier zal het gebied weer eruit gaan zien als voor honderden jaren geleden. En toch blijf ik enigszins wel met weemoed terugdenken aan de tijd dat ik hier met mijn grootvader door de polder heen liep en van zijn verhalen over ‘vroeger’ genoot. En toch juich ik dit project toe. Niet alleen vanwege het bergen van het vele water, maar ook omdat de oorspronkelijke flora en fauna de kans krijgt zich hier weer te vestigen.
Inmiddels heeft een hoge dijk de ruime blik over het grasland ontnomen en heeft het gras plaats gemaakt voor de plant die hier in de volksmond rusge- of ruskepol genoemd wordt. Ook is het land drassiger geworden.
De pitrus (Juncus effusus), de rusge- of ruskepol dus, is een wilde vaste plant uit de russenfamilie. De pitrus wordt ook als waterplant in de siertuin gebruikt. De plant groeit op vochtige plekken, zoals langs de waterkant, in het weiland en in moerassen.
Via het parenchym kan de plant zuurstof naar de wortels transporteren, waardoor deze ook in zuurstofloze gronden nog kan groeien. De glanzende groene stengels zijn ongeveer 3 mm dik en kunnen een hoogte bereiken van 1,5 m, maar zijn meestal tussen de 20 en 100 cm lang.
De groene stengel is het belangrijkste deel van de plant voor de fotosynthese. Het sponsachtige merg in de stengel is samenhangend en ononderbroken. Na het drogen vertonen de stengels fijne streepjes. De plant heeft een korte, sterk vertakte wortelstok. De pitrus heeft roodbruine, schedeachtige bladeren aan de stengelvoet. Het eindelingse blad is stengelachtig.
De bloeiperiode loopt van juni tot augustus. De bloemen zijn bruin en vormen met elkaar een losse bloeiwijze, maar is niet zelden ineengedrongen. Aan de voet van de bloem zitten twee vliezige steelblaadjes. De rest van de stijl zit aan de top van de vrucht en niet op een verhoging zoals bij biezenknoppen (Juncus conglomeratus). De bloem heeft meestal drie meeldraden.
De plant vormt een doosvrucht, die veel zaadjes bevat en aan de top vaak iets ingedeukt is. De zaden hebben geen aanhangsel (mierenbroodje), maar zijn wel kleverig door de aanwezige borstelhaartjes, waarmee ze aan vogels blijven kleven.
De ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani) is een vaste plant, die behoort tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae).
De plant wordt 0,5-2,8 m hoog en heeft een zachte, taaie wortelstok, die in het jonge stadium wit is en later naar geel tot geelbruin verkleurt. De rolronde, gevulde stengel is blauwgroen of grijsgroen en aan de voet meestal knotsvormig verdikt.
Voor en tijdens de bloei heeft de plant geen of slechts één blad met bladschijf. Bij het verweren van de bladscheden komen er niet of nauwelijks vezels vrij.
De ruwe bies bloeit van juni tot de herfst met eivormige tot langwerpige aren. De roodbruine kafjes hebben talrijke rode wratjes, waardoor ze ruw aanvoelen en waaraan de plant haar naam te danken heeft. De kafjes staan in een spiraal. De bloeiwijze is schijnbaar zijdelings door het stengelachtige schutblad.
De vrucht is een 2-2,5 mm lang, lensvormig nootje en kleeft door de borstelharen aan vogels vast.
De plant komt vooral in brak water aan oever, duinplassen en in rietlanden voor.
Een brakwater minnend plantje in Noord-Drenthe? Ik vind het wel verklaarbaar. Een andere naam voor het Leekstermeer was vroeger het Zulthermeer. De naam Zulthe wordt wel verklaard als: zout meer, omdat het tot de 16e eeuw in open verbinding stond het de zee. Ook mijn grootvader vertelde dit aan mij. Wikipedia ziet het anders: ,,De afstand is echter te groot dat dit van invloed kan zijn geweest. Temeer omdat er tussen het meer en de zee in het verleden nog enkele zogenaamde zijlen (spuisluizen) zijn geweest, te weten het Niezijl en het Aduarderzijl.”
Echter, tot aan Lieveren aan toe schijnen er sporen van zout of zoutwater te zijn. Dit werd mij medegedeeld door mensen van Staatsbosbeheer die ook mijn vermoeden bevestigden dat het Leekstermeer vroeger in verbinding stond met de toenmalige Lauwerszee, het huidige Lauwersmeer.
De oorsprong en geschiedenis van het gebied.

Op het kaartje uit 1864 begint de Gouwe nog noordelijk van Sandebuur. Inmiddels is het begin een stuk noord-westelijker gelegen. Ook de molen die westelijk van Sandebuur stond is verdwenen. Het was een poldermolen.
Een poldermolen (ook wel watermolen genoemd, maar die naam geeft verwarring) is een windmolen die water van een lager niveau naar een hoger niveau verzet. Bij een poldermolen is het aangedreven werk (de vijzel of het scheprad) vast opgesteld. Bij een houten achtkante poldermolen is de kap draaibaar.
Een achtkante bovenkruier is een molen waarvan de romp acht kanten heeft. Ook is het een type molen waarvan men alleen de kap kan kruien. De romp van de molen is geheel of gedeeltelijk van steen. Indien gedeeltelijk van steen dan staat er een houten achtkant op de stenen. De meeste achtkantige molen hebben een houten achtkant. Deze houten achtkant is gewoonlijk bedekt met riet, maar kan ook bedekt zijn met hout met daarover dakleer of met koperen platen.
Een grondzeiler is een windmolen die vanaf de grond kan worden bediend. Door de gedrongen bouw scheren de draaiende wieken over het erf rondom de molen. De molen wordt door de molenaar vanaf de grond opgezeild (zie onderste foto). Het materiaal van de molen kan verschillen, zowel achtkante houten molens als ronde stenen molens kunnen als grondzeiler zijn gebouwd.
Rondom een grondzeiler is eigenlijk altijd een afrastering nodig, want de draaiende wieken zijn een groot gevaar voor mensen en dieren. De aan- en afvoer van materiaal (bijvoorbeeld koren) is enigszins problematisch, een probleem dat niet geldt voor een poldermolen. De meeste poldermolens zijn grondzeilers – ze staan immers in vlak gebied met weinig bebouwing. Grondzeilers die als korenmolen zijn ingericht, vinden we voornamelijk in gebieden met veel wind of op een natuurlijke verhoging in het landschap. Een molen op een kunstmatige verhoging heet een beltmolen.
Nu nog is het gebied rond Sandebuur, Sambert zoals het ook wel in het Drents dialect genoemd wordt, erg drassig.

Het merendeel van de huizen van Sandebuur bevindt zich als bij een lintdorp aan een straat die zich over enkele honderden meters van west naar oost uitstrekt, maar aan beide zijden abrupt eindigt. 500 meter ten oosten van de buurtschap bevindt zich de merkwaardige begraafplaats van Roderwolde, dat op zijn beurt weer zo’n 500 meter ten zuiden van de begraafplaats ligt.
Roderwolde ontstond in de elfde eeuw als veenontginningsdorp. In de Middeleeuwen was het dorp een belangrijke roggeproducent.
In de 16e eeuw werd rond de plaats veel gejaagd, o.a. op wolven; pas in 1563 werden hieraan beperkingen opgelegd. In de omgeving ging in de periode 1650-1832 het areaal bouwland met ca. 40% achteruit. Later werd deze vorm van landbouw hier vrijwel onmogelijk. Thans is vrijwel alles grasland in één groot veeteeltgebied.
Hier stond ook de eerste parochiekerk, die rond 1080 gebouwd werd en een geschenk was van de bisschop van Utrecht, afgebroken omstreeks 1830. Om de afwatering in het gebied te bevorderen, werden haaks op de opstrekkende verkaveling de zgn. gouwen gegraven. Afwatering en landbouw leidden tot inklinking en verdwijnen van het veen, waardoor de waterstand steeg.
Bronnen vermelden: Sandbuir (1811-13 en 1840), Sandbuur (1847-1868), Sambert (1847) en Sandebuur (1851-1865). De plaatsnaam is samengesteld uit sand (= zand) en buur (= woning, buurt); de betekenis is derhalve: woonoord op zandgrond.
Sandebuur is gelegen op de bewoningsas van het middeleeuwse Roderwolde, lopend van het bos Het (Groot) Waal via het kerkhof in westelijke richting, voorts op een hoge pleistocene zandrug, de Harssens, die loopt van de Sandebuursedijk tot het Leekstermeer. De buurtschap wordt reeds vermeld in 1599. In 1832 bestond zij uit zeven boerderijen, alle van het Friese kop-romptype met een zgn. Friese schuur, beter geschikt voor veeteelt dan de dwars- en langsdeeltypen in de zanddorpen.
Eerst een logische voortzetting van Roderwolde kwam Sandebuur door verplaatsing van de bewoning rond kerk en kerkhof naar hogere zuidelijker delen vanwege wateroverlast geïsoleerd te liggen. Pas in 1932 kwam er een verharde weg naar het nieuwe dorp tot stand. Daarvóór was de buurt alleen via voetpaden langs grenssloten bereikbaar, ook vanaf het kerkhof.
Schimpnaam voor de inwoners: Hekkeburen (vanuit Roderwolde bezien).(bron)

De Gouwe, een stroompje of een ontwateringssloot?
Zelf heb ik het idee dat het tijdens het ontvenen en het bruikbaar maken van de gebieden voor landbouw ontstaan is. Misschien wel vanuit een bestaand stroompje. Iets wat zover ik weet niet gedocumenteerd is en de oorsprong zal dan ook altijd wel gissen blijven. Feit is echter wel dat de Gouwe een stempel heeft gezet op het gebied.
Het begin van de Gouwe. Hier zitten we nog op de zandrug wat goed te zien is aan het heldere water.

Ook voor de waterplanten is de Gouwe een waar paradijs. Ongestoord kunnen ze hier nog groeien en worden niet belaagd door graskarpers. Hier stroomt kwelwater uit de oever de sloot in.

Gemoedelijk kabbelt het water richting het westen. Een blik dat je veel ziet hier in de omgeving.

Tijdens de tocht naar het Leekstermeer komen meerdere sloten uit in de Gouwe. Langzaam aan begint het water te verkleuren. Van het heldere naar het geel/bruinige kleurige water wat herkenbaar is voor de venige gebieden.

Langzaam begint het slootje te meanderen. De westenwind heeft als het kroos wat er nog was, richting de duiker gestuwd. Door gebrek aan stroming aan de oppervlakte zijn hier veel sloten bedekt met een laag kroos.

Links is de dijk van het waterbergingsproject De Onlanden duidelijk te zien, rechts de natte landerijen.

De Gouwe wordt snel breder naarmate de Rodervaart dichterbij komt.

Ook hier zijn de lompe lelijke ijzeren hekken vervangen door exemplaren van hout. Hoe mooi en contrasterend is het houten hek met het gele gras en de donkere rusge- of ruskepollen.


Je zou je zo een paar honderd jaar terug in de tijd wanen bij dit uitzicht.

Een stuk kienhout dat waarschijnlijk tijdens het schoonmaken naar boven is gehaald. Volgens Staatsbosbeheer zijn in deze omgeving stukken kienhout gevonden die na koolstof-datering ruim 800 jaar oud bleken te zijn.

Kienhout, ook wel kienholt of kienstobben genoemd, is gefossiliseerd hout dat bewaard is gebleven in veenlagen.
Kienhout is een overblijfsel van bossen die tot in middeleeuwen het land bedekten. Stammen en stronken daarvan kwamen in het natte veen terecht en zakten steeds dieper daarin weg. Het hout is in de loop der eeuwen onder een vaak metersdikke zurige veenlaag komen te liggen waardoor het, van zuurstof afgesneden, goed werd geconserveerd. In hoogveen vindt men overblijfselen van eik, den, berk en els. In laagveen ontbreekt de den maar zijn ook wilg en es vaak aanwezig.
Bij de turfwinning vormde dit materiaal een vaak minder gewenst bijproduct. In de verveningsgebieden werd het echter wel veel als brandstof gebruikt, een voordeel in vroeger tijden was dat het bij verbranding veel licht gaf. Het hout, dat bij opdelven nat en zacht is, wordt na enige weken hard door droging aan de lucht. Ook als timmerhout kon kienhout dat onder gunstige condities bewaard was gebleven goed dienst doen.
Een klein meertje midden in het land.

Reeën zijn geen zeldzaamheid in de omgeving van Roden. Op veilge afstand zijn ze nogal eens te bewonderen. De kleine witte stipjes zijn hun ‘kontjes’.

De ree (Capreolus capreolus) is een klein, algemeen soort hert dat voornamelijk in Europa voorkomt.
De ree heeft een zandgele tot roodbruine zomervacht, ‘s winters is deze meer grijsbruin tot zwart van kleur. Volwassen dieren hebben geen vlekken. Duidelijk zichtbaar is de witte tot gelige rompvlek. Bij mannetjes is deze vlek ‘s zomers vrij onduidelijk. De neus is zwart, en de kin is wit. De staart is vrij klein (twee tot vier centimeter lang) en enkel zichtbaar tijdens het ontlasten. ‘s Winters steekt bij het vrouwtje een bosje witte haren tussen de achterpoten naar achteren, dat op een staart lijkt.
Het volwassen mannetje (reebok) heeft een eenvoudig gewei, bestaande uit maximaal drie punten. Het gewei is maximaal 25 centimeter lang. ‘s Winters groeit het gewei, en de basthuid wordt afgeschuurd tussen maart en juni. Tussen oktober en januari wordt het gewei afgeworpen. Een enkele keer komen ook vrouwtjes (reegeit) met een gewei voor. Een jonge reebok van een jaar met alleen nog twee knopjes wordt ook wel knopbok genoemd. Wanneer het gewei nog geen vertakkingen vertoont noemt men het een spitser; en hoort bij een leeftijd van rond de twee jaar. Een gaffel heeft één vertakking en de bijbehorende reebok is dan twee a drie jaar. Oudere reebokken hebben een zogenoemde zesender, met twee keer drie punten. Op latere leeftijd zouden ze weer een vertakkingsloos gewei kunnen krijgen.
De ree heeft een kop-romplengte van 95 tot 140 centimeter, een lichaamsgewicht van 16 tot 35 kilogram en een schofthoogte tussen de zestig en de negentig centimeter. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben gemiddeld een schofthoogte van 64 tot 67 centimeter, vrouwtjes van 63 tot 67 centimeter.
Het laatste stukje de Gouwe richting de de duiker.

Slachtoffers van de afgelopen winter. Vier grote graskarpers die bevroren in het ijs zaten. Na de dooi heeft de beheerder van de schapen die daar grazen ze als voer voor de vogels op het land gelegd. De lengtes variëren tussen de 75 en 85 centimeter.

Eind jaren zeventig zijn er in de Gouwe graskarpers uitgezet. De vissen doen het voortreffelijk in dit water. Alleen de laatste paar strenge winters heeft aardig wat slachtoffers gemaakt.
De graskarper (Ctenopharyngodon idella) is een exoot in de wateren van de Benelux. De graskarper is een echte herbivoor. Hij wordt uitgezet daar waar beplanting in en langs het water als een probleem gezien wordt. De soort gedijt vooral goed in visvijvers en kanalen alsmede in weelderig begroeide dode rivierarmen. In de meeste talen wordt de soort naar zijn herkomst, de Amoerstreek, genoemd.
De Graskarper is helemaal niet nauw verwant met de Karper, in weerwil van zijn inmiddels goed ingeburgerde naam. De Graskarper is een voedselspecialist, die uitsluitend van plantenkost leeft. Hij eet niet alleen algen en zachte waterplanten, maar ook harde plantendelen; met zijn mesvormige, gezaagde keeltanden kan hij die fijnkauwen, en het darmkanaal is aangepast om ze te verteren. Toch kunnen ze zulke zware kost maar gedeeltelijk verteren; daarom moet elke dag tot 120 procent van het lichaamsgewicht aan gras door de darm van het dier passeren.
Zijn oorspronkelijke areaal is ook daar niet meer precies vast te stellen, want hij wordt al ongeveer 1000 jaar voor consumptie in vijvers gekweekt en is dus ook overal heengebracht. Waarschijnlijk leefde hij van nature in de grote rivieren van Zuid-China; daar komt hij ook nu nog voor.
Van hun ‘weidegronden’ in de benedenlopen trekken ze in de paaitijd stroomopwaarts naar snelstromende rivierdelen met grindbodem. De afgezette eieren zwellen sterk op, gaan drijven en worden met de stroom meegevoerd; ze komen al na 1-2 dagen uit. De jongen leven eerst nog van dierlijk plankton, maar als ze 3cm lang zijn beginnen ze ook plantenkost te eten, en bij een lengte van 10 cm zijn ze volledig vegetarisch.
Gepaaid wordt bij temperaturen boven 20°C (bij voorkeur 22-29 °C). In de warme wateren van China groeit deze soort ook snel, en de dieren worden al na 3-4 jaar geslachtsrijp.
Omdat ze grove plantenkost aankunnen, heeft men in de jaren zestig in allerlei gebieden (ook in Europa) geprobeerd ze uit te zetten, soms voor de visproductie, vaak ook om wateren onkruidvrij te houden (zo ook bij ons). In Europa bleek de visproductie niet rendabel, wegens de trage groei bij de hier heersende temperaturen. Als onkruidbestrijder was de Graskarper wel een groot succes. Hij komt zonder problemen de winter door; echter, het water wordt in onze streken niet warm genoeg om natuurlijke voortplanting mogelijk te maken.
In de eerste, euforische jaren, toen men Graskarpers uitzette in alle mogelijke kunstmatige en natuurlijke wateren , zagen de viskwekers twee dingetjes over het hoofd.
*Eerstens neemt de voedselbehoefte van deze langlevende dieren toe met hun afmeting;
*tweedens zijn ze moeilijk weer uit het water te verwijderen, of men moest ze geheel droogleggen; ze eten immers alleen planten en nemen geen aas op een haak aan.
Er werd dus veel meer onkruid verdelgd dan iedereen lief was, en op veel plaatsen ontstonden onder waterwoestijnen, gespeend van iedere plantengroei.
Thans wordt het uitzetten van Graskarpers in natuurlijke wateren als grove kunstfout gezien; maar in gesloten vijvers waar de soort niet uit kan ontsnappen bewijst hij nog steeds goede diensten, mits de dichtheid laag wordt gehouden. Voor tuinvijvers worden de dieren veel te groot. Mensen met een grote vijver zullen zeker meer plezier beleven aan de inheemse, eveneens herbivore Ruisvoorn (Scardinius erythrophthalmus).
In de zuidelijke VS, waar de Graskarper zich wel spontaan kan voortplanten, werd hij een regelrechte plaag, met funeste gevolgen voor de inheemse flora en fauna. In de meeste staten aldaar is het uitzetten ervan nu verboden. Ook in Nederland is beperkende wetgeving van kracht. (bron)
Ofschoon graskarpers zich uitsluitend met algen en hogere planten voeden, maken hengelaars steeds vaker melding van vangsten met levend aas en kunstaas. Een zo’n krachtige vis met de hengel vangen kan een ware belevenis zijn, aangezien graskarpers soms wel meer dan 1 m lang worden en een gewicht van 20-30 kg kunnen behalen, en aan de hengel een hevig gevecht leveren.
Het overzicht vanaf de dijk. Rechts de Rodervaart. Zelfs hier is nog te zien hoe groot de graskarpers zijn.

De duiker onder de Rodervaart door.

Aan de overzijde van de Rodervaart gaat de Gouwe door als Bolmertse Gouwe, of de tocht. De polder de Bolmert waar de Gouwe zijn loop vervolgt is afgesloten voor publiek. Het is inmiddels ingericht als broedgebied voor vogels. Hier eindigt dan ook de reis langs de Gouwe.


© Copyright MooiRoon 2012